voorlichtingsgesprek met aanstaande ouders

De combinatietest bestaat uit twee verschillende onderzoeken. Deze moet u allebei doen om een uitslag van de combinatietest te kunnen krijgen. U loopt geen risico op een miskraam.

  • Het bloedonderzoek

Er wordt bloed afgenomen uit uw arm. Soms doet de verloskundige dit, meestal moet u hiervoor naar een prikpost (bloedafnamelocatie). Het laboratorium onderzoekt uw bloed op 2 stofjes (PAPP-A en beta-HCG). 

  • De nekplooimeting

Een echoscopist meet de nekplooi van uw kind. De nekplooi is een dun laagje gevuld met vocht onder de huid. Bij kinderen met down-, edwards- en patausyndroom kan dit laagje dikker zijn dan bij kinderen zonder deze syndromen.

Soms doet de eigen verloskundige of gynaecoloog de nekplooimeting. Meestal moet u daarvoor naar een speciaal echocentrum. 

Wanneer gebeurt het onderzoek?

U kunt het bloedonderzoek krijgen als u tussen 9 en 14 weken zwanger bent.

De nekplooimeting gebeurt tussen 11 en 14 weken zwangerschap.

U krijgt de uitslag van de combinatietest van de echoscopist die de nekplooimeting doet.

Soms is het anders geregeld. Uw verloskundige of gynaecoloog kan u hier meer over vertellen.

De uitslag is een kans.

De combinatietest berekent de kans dat uw kind down-, edwards- of patausyndroom heeft. Bij de berekening wordt de uitslag van het bloedonderzoek, de dikte van de nekplooi, uw leeftijd en de zwangerschapsduur gebruikt. 

De combinatietest geeft geen zekerheid.

De uitslag van de combinatietest geeft aan hoe groot de kans is dat uw kind down-, edwards- of patausyndroom heeft. U weet het dus niet zeker.

Welke uitslagen kunt u krijgen?

“U heeft een verhoogde kans op een kind met down-, edwards- of patausyndroom”

Als de kans groter is dan 1 op 200 heeft u een verhoogde kans op een kind met downsyndroom. Een kans van 1 op 200 betekent dat van elke 200 zwangere vrouwen 1 vrouw zwanger is van een kind met downsyndroom. De andere 199 vrouwen zijn niet in verwachting van een kind met downsyndroom. Een verhoogde kans is dus niet hetzelfde als een hoge of grote kans. Als u zekerheid wilt krijgen, kunt u kiezen om vervolgonderzoek te laten doen.

Voorbeelden van verhoogde kansen zijn 1 op 100, 1 op 50 en 1 op 20.

“U heeft geen verhoogde kans op een kind met down-, edwards- of patausyndroom”

Als de kans kleiner is dan 1 op 200 heeft u een kleine kans op een kind met down-, edwards- of patausyndroom. Het kan zo zijn dat u toch een kind met downsyndroom krijgt. Maar de kans hierop is niet zo groot. U krijgt daarom geen vervolgonderzoek.

Voorbeelden van kleine kansen zijn 1 op 500, 1 op 1000 en 1 op 2000.

Een dikke nekplooi

De echoscopist kan een dikke nekplooi meten. De nekplooi is dan dikker dan 3,5 mm. Een dikke nekplooi komt voor bij verschillende aandoeningen. Ook gezonde kinderen kunnen een dikke nekplooi hebben. Als de echoscopist een dikke nekplooi meet, wordt u doorgestuurd voor vervolgonderzoek.

Meer informatie

<Terug naar stap 4. Hoe gaat de screening op down-, edwards- en patausyndroom?